Bel ons:

16 originele werkvormen om leerprocessen te stimuleren

16 didactische en activerende werkvormen om leerprocessen te stimuleren

Inhoud

Om het leerproces van een groep te stimuleren, kun je werkvormen inzetten. Wij zetten 16 originele didactische en activerende werkvormen voor je op een rij.

Een werkvorm is de wijze waarop je als docent of trainer kennis overbrengt op de groep. Je kunt kiezen voor didactische of activerende werkvormen. In het eerste geval neem je er zelf aan deel. In het tweede geval gaan de cursisten aan het werk met de stof en vervul je de rol van begeleider.

1. Werkvormen: waarom zou je?

De traditionele docent of trainer staat als alwetende kennisbron voor de groep. In dit informatietijdperk is dat weinig effectief. Niet alleen is kennis overal beschikbaar, maar we zijn we er ook aan gewend geraakt die kennis op een interactieve manier tot ons te nemen.

In die context bieden didactische en activerende werkvormen een uitkomst: ze stellen je in staat op een interactieve manier de kennis te benutten die in een groep aanwezig is. Maar er zijn meer redenen om werkvormen te gebruiken: ze helpen je onder meer om de competentieontwikkeling te bevorderen, de groepsdynamiek te stimuleren en een positieve sfeer te creëren. 1

Om dat soort effecten te bereiken, moet je ze bewust inzetten.

De juiste werkvorm per fase

Er bestaat veel vakliteratuur over werkvormen. 2 3 4 De kern is steeds hetzelfde: gebruik werkvormen om interactieve, gevarieerde sessies te verzorgen. Daarbij is het cruciaal om de bijeenkomst activerend op te bouwen. Dat wil zeggen dat je per onderwerp een curve doorloopt die bestaat uit vier fases.

Eerst activeer je de voorkennis. Vervolgens behandel je de theorie. Daarna passen de cursisten de stof zelfstandig of in groepjes toe. Tot slot reflecteren ze op het leerproces. Didactische werkvormen zijn met name geschikt voor de theorie, terwijl activerende werkvormen zich vooral lenen voor fase 1, 2 en 3: de activatie, de toepassing en de reflectie.

Hieronder bespreken we zestien didactische en activerende werkvormen. Bij elke werkvorm staat een korte beschrijving van het doel, de tijdsduur, het aantal deelnemers en de benodigdheden.

2. Werkvormen voor de activatie

De activatiefase van een bijeenkomst dient verschillende doelen. Allereerst wil je een veilige sfeer creëren. Daarnaast wil je de toon zetten voor de rest van de sessie. Bovendien wil je de deelnemers betrekken bij het centrale onderwerp. Het is belangrijk dat je laagdrempelig van start gaat, zodat je de hele groep meekrijgt wanneer je de diepte ingaat. Daarnaast is dit een geschikt moment om dynamiek te creëren, dus schroom niet om de stoelen opzij te schuiven en de cursisten in beweging te zetten.

1. Over de streep

Doel: oriëntatie
Tijdsduur: 10 minuten
Deelnemers: minimaal 6 personen
Benodigdheden: een zaal en een stuk tape

Voordat je een onderwerp gaat behandelen, is het waardevol te weten hoe de deelnemers zich daartoe verhouden. Deze didactische werkvorm helpt je dat inzicht te vergaren. Bedenk van tevoren drie of vier stellingen. Deel de ruimte in tweeën, bijvoorbeeld door met een stuk tape een lijn over de vloer te trekken. Zet alle cursisten aan één kant van de streep. Laat een stelling zien. Degenen die het ermee eens zijn, stappen over de streep. De rest blijft staan. Als iedereen een plaats heeft ingenomen, vraag je aan beide kanten van de streep een paar mensen naar hun beweegredenen. Herhaal dit proces voor de andere stellingen.

2. Kriskras door elkaar

Doel: onderling contact
Tijdsduur: 20 minuten
Deelnemers: minimaal 8 personen
Benodigdheden: voldoende ruimte

Hoe sneller je cursisten met elkaar in contact brengt, des te makkelijker je er een groep van kunt maken. Met deze werkvorm stimuleer je dat contact. Schuif de tafels en stoelen opzij zodat er een grote ruimte ontstaat. Laat de deelnemers nu kriskras door elkaar lopen. Zodra jij ‘stop’ zegt, krijgen ze een minuut de tijd om kennis te maken met degene waar ze naast staan. Dit proces herhaal je totdat iedereen zich aan elkaar heeft voorgesteld. Dit proces herhaal je tot iedereen zich aan elkaar heeft voorgesteld. Kennen de deelnemers elkaar van tevoren al? Laat ze dan aan elkaar vertellen waarom ze deelnemen aan de sessie.

3. Moment van inzicht

Doel: oriëntatie en onderling contact
Tijdsduur: 15 minuten
Deelnemers: minimaal 4 personen
Benodigdheden: geen

Met deze activerende werkvorm stimuleer je het contact en laat je de cursisten vast nadenken over de inhoud. Geef ze eerst een minuut de tijd om na te denken over een moment waarop ze een inzicht hadden over het onderwerp van de sessie van vandaag. Daarna vormen ze een tweetal met iemand die op een andere plek in de ruimte zit. Ze vertellen elkaar over hun moment van inzicht. Dat doen ze in maximaal één minuut. Als iedereen is uitgesproken geef je ze de opdracht elkaars momenten met de groep te delen: deelnemer A beschrijft het moment van inzicht van deelnemer B en vice versa.

4. Je focus formuleren

Doel: onderling contact en intrinsieke motivatie
Tijdsduur: 20 minuten
Deelnemers: minimaal 4 personen
Benodigdheden: geen

Als het je lukt de intrinsieke drijfveren van cursisten te bereiken, kun je ervan uitgaan dat ze gemotiveerd zijn voor je sessie – zeker als je te maken hebt met volwassenen. Deze activerende werkvorm helpt je daarbij. Vraag de deelnemers voor zichzelf drie vragen te beantwoorden: hoe willen ze zich ontwikkelen, wat hebben ze daaraan in de praktijk en hoe kan deze bijeenkomst ze daarbij helpen? Laat ze daarna in twee-, drie- of viertallen de antwoorden met elkaar delen. Als alle deelnemers aan de beurt zijn geweest, beantwoordt iedereen plenair de volgende vraag: hoe kunnen de andere cursisten je helpen je doelen te bereiken? Zo maak je de groep medeverantwoordelijk voor het succes van het individu.

3. Werkvormen voor de theorie

Wanneer je de theorie behandelt, heb je maar één doel voor ogen: je kennis moet in de hoofden van de deelnemers terechtkomen. Het kan verleidelijk zijn gewoon ergens te beginnen en alles te vertellen wat je weet. Dat is niet zo bijster effectief: het kost je veel energie, terwijl je er maar op moet vertrouwen dat je boodschap overkomt. Je kunt de kennisoverdracht beter interactief vorm te geven, zodat de cursisten zich openstellen voor je kennis. Didactische werkvormen kunnen je daarbij helpen.

5. Vraaggestuurd uitleggen

Doel: kennis interactief behandelen
Tijdsduur: maximaal 20 minuten
Deelnemers: de hele groep
Benodigdheden: geen

Als je niet te veel wilt zenden, kun je de theorie vraaggestuurd uitleggen. Eerst benoem je het onderwerp en de deelonderwerpen die je wilt behandelen. Daarna leg je de groep enkele oriënterende vragen voor. Je wilt hoe dan ook achterhalen in hoeverre de cursisten bekend zijn met het onderwerp, welke informatie ze kunnen reproduceren en welke persoonlijke ervaringen ze ermee hebben. Zo betrek je de groep vanaf het eerste moment bij de theorie en toets je direct de voorkennis waar je de uitleg op kunt afstemmen.

Als je genoeg reacties hebt gekregen, ben je zelf aan de beurt. Je kunt de input nu verknopen met jouw kennis. Je kunt voortborduren op correcte informatie, denkfouten weerleggen en nuances toevoegen. Dit doe je bij ieder deelonderwerp opnieuw. Als je deze didactische werkvorm goed uitvoert, houdt de groep er het gevoel aan over de theorie mede te hebben vormgegeven.

6. Antwoorden doorspelen

Doel: kennis interactief bespreken
Tijdsduur: maximaal 20 minuten
Deelnemers: de hele groep
Benodigdheden: geen

Deze werkvorm vormt een variatie op de vraaggestuurde uitleg. Je begint weer met een vraag, maar deze keer richt je jezelf specifiek tot een cursist. Vraag door tot je het gevoel hebt dat die persoon zijn of haar zegje heeft gedaan. Nu kan het logisch voelen om zelf de vraag te beantwoorden, maar die neiging moet je juist weerstaan: speel het antwoord van de eerste cursist door aan de volgende. Vraag bijvoorbeeld: “Hoe kijk jij hier tegenaan?” of “Wat is jouw idee over dit antwoord?”

Als je dit twee of drie keer doet, raken de cursisten niet alleen betrokken bij de stof maar ook bij elkaar. De kans bestaat bij deze werkvorm overigens dat iemand op een gegeven moment de vraag naar jou doorspeelt. Schrik daar niet van: het is precies de betrokkenheid waar je naar op zoek bent. De groep heeft zich opengesteld voor je kennis, dus die kun je nu eenvoudig toedienen.

7. De visuele instructie

Doel: kennis tot leven brengen
Tijdsduur: maximaal 20 minuten
Deelnemers: de hele groep
Benodigdheden: een afbeelding, voorwerp of vrijwilliger

De visuele instructie is een werkvorm die je op verschillende manieren kunt inzetten, afhankelijk van de inhoud van de training. De kern is dat je de kracht van beeld benut om de kennis over te brengen. Zo kun je een afbeelding tonen die past bij het onderwerp van de training. Eerst inventariseer je de reacties die het beeld oproept bij de groep, waarna je er een inhoudelijke interpretatie van geeft. Dit kun je ook doen met een video of een fysiek voorwerp.

Een andere manier is door een cursist als vrijwilliger bij je te roepen. Je kunt bijvoorbeeld een gesprekssituatie naspelen, waarbij de cursist iets vertelt en jij vraagtechnieken toepast om de theorie te illustreren. Op beide manieren zorg je ervoor dat de cursisten actief meedenken en -doen en de theorie op een aansprekende manier tot zich nemen.

8. De associatieve reis

Doel: kennis persoonlijk en betekenisvol maken
Tijdsduur: maximaal 20 minuten
Deelnemers: de hele groep
Benodigdheden: een whiteboard, flip-over of interactieve slide

De associatieve reis is een uiterst geschikte manier om cursisten aan het denken te zetten en te betrekken bij de inhoud. Allereerst noem je een kernbegrip dat aansluit bij het onderwerp dat je bespreekt. Dat kan een inhoudelijk concept zijn, maar ook een actueel thema. Laat de cursisten vervolgens vrijuit associëren: ze mogen alles zeggen wat er in ze opkomt.

Als trainer hou je de associaties bij, bijvoorbeeld door ze op te schrijven op een whiteboard of een flip-over. Je kunt de input ook laten invoeren in een interactieve presentatietool, zoals Mentimeter of Wooclap. Zo ontstaat er een verzameling van gedachten, ideeën en ervaringen.

Zodra de associatieronde voorbij is, leg je als trainer de verbanden tussen de verschillende associaties en koppel je deze aan de theorie. Doordat je de inbreng van de groep als uitgangspunt neemt, maak je met deze didactische werkvorm de stof persoonlijk, betekenisvol en relevant voor de cursisten.

4. Werkvormen voor de toepassing

Zodra je de theorie hebt besproken, is de tijd rijp om haar tot leven te brengen. Dat doe je door de cursisten ermee aan het werk te zetten. Hoe betekenisvoller de werkvorm die je hiervoor gebruikt, des te groter de kans dat de cursisten er de gewenste les uit trekken. Het is ook van belang om in deze fase de creativiteit te stimuleren. Zo zorg je ervoor dat de cursisten op een intensief niveau met de stof omgaan.

9. Het praktijkprobleem

Doel: kennis toepassen
Tijdsduur: 45 tot 120 minuten
Deelnemers: minimaal 4 personen
Benodigdheden: een praktijksituatie

De betekenisvolste manier om de theorie toe te passen is door de cursisten aan het werk te zetten met een praktijkcasus. Dat is de gedachte waarop deze activerende werkvorm is gebaseerd. De cursisten krijgen voorafgaand aan de sessie de opdracht na te denken over een probleem uit de praktijk dat te maken heeft met het onderwerp van de sessie.

Je geeft de deelnemers de opdracht de theorie toe te passen op de praktijksituatie. Dat kan individueel of in tweetallen, afhankelijk van het onderwerp en de groepsgrootte. Als je individueel te werk gaat, doen ze de opdracht schriftelijk. Als het in groepjes plaatsvindt, voeren ze een dialoog met een medecursist. Het doel is om de situatie helder voor ogen te krijgen, knelpunten te identificeren en mogelijke oplossingen of verbeteringen te formuleren.

Zodra iedereen de analyse klaar heeft, presenteren de cursisten hun bevindingen aan de rest van de groep en de trainer. Vervolgens krijgen ze feedback. Dat helpt de cursisten de situatie vanuit meerdere perspectieven te bekijken en de analyse te verfijnen.

10. Deelpresentaties geven

Doel: kennis doorgronden
Tijdsduur: 90-120 minuten
Deelnemers: minimaal 4 personen
Benodigdheden: één laptop per groepje en een smart screen

Deze werkvorm is een variant op de expertgroepjes. Je gebruikt de capaciteiten van de hele groep om een onderwerp te behandelen. Je deelt de theorie op in meerdere deelonderwerpen. Vervolgens maak je twee-, drie- of viertallen – afhankelijk van de groepsgrootte. Deze groepjes bereiden een deelpresentatie van vijf minuten voor over hun deelonderwerp.

Daarbij is het belangrijk te benadrukken dat het een informatieve presentatie is. Het doel is dat de cursisten gezamenlijk de stof doorgronden. Er hoeft dus geen call-to-action of advies uit voort te vloeien. Geef de groepjes de opdracht om de presentaties logisch te structureren en bij voorkeur te voorzien van visuele ondersteuning, zodat de rest van de cursisten het verhaal goed kunnen volgen.

Geef de subgroepjes maximaal drie kwartier om de presentaties voor te bereiden. Daarna geven ze de presentaties een voor een. Neem per presentatie tien minuten de tijd om feedback te geven. Beperk je daarbij tot de inhoud, want je bent geen presentatietraining aan het geven.

Vaak zijn de laatste presentaties beter dan de eerste. Dat komt doordat de cursisten leren van de feedback op anderen. Dat is een natuurlijke vorm van social learning. Voelt het eerste groepje zich hierdoor achtergesteld? Dan kun je ze de mogelijkheid geven om de presentatie over te doen, als de tijd het tenminste toelaat.

11. Het duivelse dilemma

Doel: theorie analyseren en kennis verwerken
Tijdsduur: 45 tot 60 minuten
Deelnemers: minimaal 4 personen
Benodigdheden: geen

Een duivels dilemma is een situatie waarin je moet kiezen tussen twee opties die allebei negatieve gevolgen hebben. Welke keuze je ook maakt, er kleeft altijd een nadeel aan. Het doel van deze werkvorm is niet per se om de beste keuze te maken. Het gaat om het proces dat de cursisten doorlopen om tot een keuze te komen.

Laat de cursisten twee-, drie- of viertallen maken. Leg ze vervolgens een duivels dilemma voor dat te maken heeft met de stof die je behandelt. Geef ze de opdracht om op basis van de theorie een strategie uit te werken om met het dilemma om te gaan. Aan het eind presenteren ze hun redenering aan de rest van de groep.

Je kunt deze werkvorm ook competitief benaderen. In dat geval deel je de groep in tweeën en geef je de subgroepen de opdracht een van beide opties te verdedigen op basis van de stof die je hebt behandeld. De winnaar is de subgroep die de stof het beste weet te integreren in de argumentatie.

12. Belangen behartigen

Doel: theorie in praktijk brengen
Tijdsduur: 45 tot 90 minuten
Deelnemers: minimaal 6 personen
Benodigdheden: een casus

Deze werkvorm geef je vorm rondom een casus. Je geeft alle deelnemers, individueel of in groepjes, de rol van een stakeholder. Vanuit deze rol analyseren ze de situatie en bedenken ze wat ze van wie gedaan willen krijgen, gebruikmakend van de kennis die ze tijdens de theoriefase hebben opgedaan. Je geeft ze hier 15 tot 30 minuten de tijd voor, afhankelijk van de complexiteit van de casus.

Vervolgens kun je de belangenbehartiging op twee manieren vormgeven. De eerste methode is in de vorm van een didactische werkvorm: je voert een groepsgesprek waarin iedereen zijn of haar analyse en strategie deelt. De rest van de groep kan op de inbreng reageren. Op deze manier kweek je bij alle cursisten begrip voor de complexiteit van de situatie.

De tweede methode heeft de vorm van een activerende werkvorm, namelijk om de casus na te spelen. Vanuit hun rol gaan de deelnemers in gesprek met de andere stakeholders. Dit kan een leerzame ervaring zijn, omdat je niet alleen inzicht krijgt in de inhoud, maar ook in de emotionele en relationele aspecten van de casus.

Als de bijeenkomst vooral draait om kennisoverdracht, dan volstaat een groepsgesprek. Het rollenspel is juist waardevol in sessies die gericht zijn op gedrag en vaardigheden, zoals communicatie, onderhandelen of conflicthantering.

5. Werkvormen voor de reflectie

Cursisten hebben het leerproces pas voltooid zodra ze zich ervan bewust zijn wat ze geleerd hebben. Dat is waarom je elke sessie afrondt met een reflectie. Hoewel je deze fase interactief kunt vormgeven, zijn er ook argumenten te geven om er een plenair onderdeel van te maken. Daarom kun je tijdens de reflectie zowel didactische als activerende werkvormen inzetten. Maak vooraf duidelijk dat het geen evaluatiemoment is: deze fase draait niet om de kwaliteit van de cursus, maar om het leerproces van de cursisten.

13. De gezamenlijke placemat

Doel: samenvatten en reflecteren
Tijdsduur: maximaal 15 minuten
Deelnemers: minimaal 4 personen
Benodigdheden: flip-overvellen of een interactieve slide

Deze activerende werkvorm voer je uit in groepjes, liefst drie-, vier- of vijftallen. Geef de groepjes een flip-overvel en vraag ze daar alles op te zetten wat er in ze opkomt als ze terugdenken aan de cursus: woorden, zinnen, tekeningetjes en andere associaties. Geef ze drie minuten de tijd om de placemat te vullen. Zo ontstaat er een gezamenlijk overzicht van de belangrijkste inzichten, ervaringen en gevoelens die de cursus heeft opgeroepen.

Vervolgens kiest de groep één persoon uit die de placemat presenteert aan de andere cursisten. Deze presentaties helpen om de kennis te laten beklijven, omdat ze dienen als samenvatting van de cursus. Als trainer kun je ze aangrijpen om de rode draad en de kernpunten nogmaals te belichten, maar niet om er informatie aan toe te voegen.

14. Het dynamische interview

Doel: kennis herhalen en samenvatten
Tijdsduur: maximaal 15 minuten
Deelnemers: de hele groep
Benodigdheden: geen

Het dynamische interview is een didactische én activerende werkvorm die bestaat uit twee delen. In het eerste deel geef je de cursisten drie minuten om individueel een of twee kennisvragen te bedenken over de behandelde stof. In het tweede deel start je als trainer het dynamische interview. Eén cursist begint door een van zijn of haar vragen te stellen aan de groep. Een andere cursist geeft antwoord. Jij bepaalt als trainer of het antwoord goed is.

Zo nee, dan mag een andere cursist aanvullen of corrigeren. Zo ja, dan stelt de cursist die het antwoord heeft gegeven de volgende vraag. Op deze manier ontstaat er een groepsgesprek waarin de cursisten elkaars kennis testen. Als trainer bewaak je de kwaliteit van de antwoorden en stuur je bij waar nodig, ook als de vragen niet juist zijn geformuleerd. Dit is een speelse manier om de cursisten te activeren en de stof te herhalen.

Het Groot Werkvormenboek deel 1 kopen?

15. De reflectiewandeling

Doel: reflecteren
Tijdsduur: maximaal 20 minuten
Deelnemers: minimaal 4 personen
Benodigdheden: een buitenruimte

De reflectiewandeling is een activerende werkvorm die de cursisten helpt de opgedane kennis en vaardigheden te verankeren. Verdeel de groep in tweetallen. Geef ze drie vragen mee om tijdens de wandeling te beantwoorden: wat heb je vandaag geleerd, in hoeverre heb je jouw persoonlijke leerdoelen bereikt en welke ontwikkelpunten formuleer je voor de toekomst?

De tweetallen verlaten de zaal en maken een wandeling van maximaal tien minuten. De wandeling zorgt niet alleen voor ontspanning, maar stimuleert ook de denkprocessen. Zodra iedereen terug is delen de cursisten de ervaringen van hun gesprekspartner met de groep.

Als trainer krijg je een goed beeld van de leeropbrengst en de cursisten leren ook van elkaars inzichten. Bovendien vergroot je met deze werkvorm de onderlinge verbinding. Dat is zeker van belang als er een vervolgsessie op het programma staat.

16. Onder de streep

Doel: kennis toetsen en reflecteren
Tijdsduur: maximaal 10 minuten
Deelnemers: minimaal 6 personen
Benodigdheden: een zaal en een stuk tape

Zoals je de training kunt beginnen door de cursisten over de streep te krijgen, kun je de sessie eindigen door onder de streep de balans op te maken. Een belangrijk verschil met de didactische werkvorm aan het begin van de training is dat het niet gaat om oriëntatie en voorkennis, maar om reflectie en opgedane kennis.

Trek weer een denkbeeldige of fysieke lijn in het midden van de ruimte. Geef de groep geen stellingen, maar quizvragen. Dat moeten gesloten vragen zijn met twee antwoordmogelijkheden, dus A of B, waar of niet waar, ja of nee, enzovoorts. De cursisten bewegen zich door de ruimte. Voordat je het correcte antwoord geeft, vraag je een aantal cursisten aan beide kanten van de streep hun keuze toe te lichten.

Je kunt ervoor kiezen het juiste antwoord uit de groep te laten komen of om het zelf te geven. Voorkom dat je in uitgebreide uitweidingen vervalt, want je bent aan het afronden. Het is beter om de cursisten te wijzen op de bronnen die ze kunnen raadplegen voor nadere toelichting.

6. Effectief werkvormen inzetten

Groepsprocessen bevorderen, deelnemers activeren, de stof tot leven brengen: er zijn veel doelen die je met didactische en activerende werkvormen kunt bereiken. Besteed er tijdens de voorbereiding van je sessies dus uitgebreid aandacht aan.

Stem de werkvormen die je gebruikt af op het doel, de doelgroep en de fase van het programma. Bouw ook voldoende rustmomenten in, zodat de groep gemotiveerd blijft om met energie en toewijding deel te nemen aan je sessie.

Variëren met werkvormen

Er bestaan talloze werkvormen die je als trainer of docent kunt inzetten. Als je het doel helder voor ogen houdt, kun je er bovendien eindeloos mee variëren. Zo hou je het niet alleen voor de cursisten, maar ook voor jezelf afwisselend.

Onthoud wel dat werkvormen een middel zijn om een doel te bereiken. Hoe leuk het ook is om de groep te activeren: de cursisten nemen deel om iets te leren. Merk je dat ze de gewenste stap in het leerproces gezet hebben? Ga dan verder met de volgende fase of het volgende onderwerp van je training.

Bronnen

  1. Hoogeveen, P. en Winkels, J. (2014). Het didactisch werkvormenboek. Variatie en differentiatie in de praktijk. Assen: Koninklijke Van Gorcum, p. 73. ↩︎
  2. Dirkse-Hulscher, S. en Talen, A. (2017). Het Groot Werkvormenboek deel 2. Amsterdam: Boom. ↩︎
  3. Dirkse-Hulscher, S., Kester, M. en Talen, A. (2020). Het Groot Werkvormenboek deel 2. Amsterdam: Boom. ↩︎
  4. Bijkerk, L. en Heide, W. van der. (2010). Haal het beste uit jezelf! Activerende werkvormen voor inspirerende bijeenkomsten. Houten: Bohn Stafleu van Loghum. ↩︎
Ontwikkel je didactische vaardigheden

Wij zijn Centrum voor Didactiek. Wij helpen jou als professional je didactische vaardigheden verbeteren. Dat doen we in de vorm van training en coaching. Verder delen we kennis over alles wat te maken heeft met didactiek.

Ontwikkel je didactische vaardigheden

Wij zijn Centrum voor Didactiek. Wij helpen jou als professional je didactische vaardigheden verbeteren. Dat doen we in de vorm van training en coaching. Verder delen we kennis over alles wat te maken heeft met didactiek.

×